24 september 2026

Als drugsgebruik normaler wordt, wanneer wordt gebruik dan problematisch?

Jong, hoogopgeleid, sportief en aan de drugs.

Met die kop zette de Volkskrant onlangs een ontwikkeling scherp neer: recreatief drugsgebruik past steeds minder bij het klassieke beeld dat veel mensen nog hebben van een drugsgebruiker.

De krant sprak 25 recreatieve (ex-)gebruikers. Mensen met banen, opleidingen, sociale levens en aandacht voor gezondheid. Drugsgebruik staat daar niet noodzakelijk tegenover. Het kan er ogenschijnlijk prima naast bestaan.

En daarin ontstaat een relevante vraag voor werkgevers: "Wat als ons beeld van verslavingsproblematiek niet meer aansluit bij de mensen bij wie die problematiek zich kan ontwikkelen?"

Bij Ruisch Coaching zien we een impactvolle verschuiving. Recreatief drugsgebruik is niet hetzelfde als verslaving. Maar normalisering heeft wel een belangrijke invloed heeft op de manier waarop we gebruik beoordelen, bespreken en uiteindelijk herkennen wanneer het problematisch begint te worden.

De medewerker met een drugsprobleem ziet er misschien anders uit dan we denken

Ruim één op de tien werkenden gebruikte volgens de meest recente cijfers van het Trimbos-instituut in het voorafgaande jaar drugs. Daarnaast had 6,7% van de werkenden in het voorafgaande jaar een stoornis in het gebruik van alcohol, cannabis of andere drugs.

Dat betekent niet dat iedere organisatie ineens op zoek moet naar medewerkers die drugs gebruiken. Integendeel. Het betekent dat we moeten stoppen met zoeken naar één herkenbaar type.

Problematisch gebruik kan zich ontwikkelen bij iemand die iedere maandag op tijd achter zijn laptop zit. Die targets haalt. Drie keer per week sport. Een goede opleiding heeft en verantwoordelijkheid draagt.

Functioneren en problematisch gebruik sluiten elkaar niet uit.

Dat is een belangrijk uitgangspunt in ons werk bij Ruisch. Verslavingsproblematiek kan lange tijd verborgen blijven terwijl iemand blijft presteren. Wat op het werk zichtbaar wordt, is vaak maar een deel van wat er werkelijk speelt. 

We moeten daarom minder naar het middel kijken

Bij drugsbeleid gaat de aandacht begrijpelijkerwijs vaak naar de vraag: wordt er gebruikt? Maar voor vroegsignalering is een andere vraag minstens zo interessant: Welke functie krijgt het gebruik in iemands leven?

Is drugs iets tijdens een incidenteel festival? Of wordt het steeds vanzelfsprekender om een drukke werkweek af te sluiten?

Is het gebruik onderdeel van een sociale avond? Of wordt het nodig om te kunnen ontspannen, loslaten, contact te maken of juist even niets te voelen?

En blijft gebruik beperkt tot vrije tijd, of beginnen de gevolgen ervan langzaam mee te komen naar maandag?

Daar ligt een gebied dat moeilijk in regels te vangen is.

De grens tussen recreatief en problematisch gebruik wordt immers niet uitsluitend bepaald door het feit dát iemand gebruikt. Frequentie, controleverlies, gevolgen en de functie die het middel krijgt, doen ertoe. Ook de landelijke gebruikscijfers moeten daarom zorgvuldig worden geïnterpreteerd: gebruik in het afgelopen jaar zegt op zichzelf niets over hoe vaak iemand gebruikt of of sprake is van verslaving.

De paradox van normalisering

Dat brengt ons bij een interessante paradox. Minder stigma rond drugsgebruik kan positief zijn. Wanneer mensen gemakkelijker over middelen kunnen praten, kan dat ook ruimte geven voor eerlijkere gesprekken.

Maar normalisering kan tegelijkertijd een blinde vlek creëren.

Wanneer een omgeving zegt iedereen doet het, wordt het lastiger om bij jezelf te herkennen dat jouw verhouding tot dat middel inmiddels veranderd is. 

Niet het gebruik zelf, maar de betekenis ervan verschuift. Van ik kies ervoor naar ik heb het nodig om te ontspannenVan een paar momenten per jaar naar ieder weekend. Van herstellen na een avond uit naar structureel vermoeid beginnen aan de werkweek.Van plezier naar een patroon waar iemand zelf steeds minder gemakkelijk vanaf wijkt.

Juist die verschuiving verdient aandacht.

En dan komt de werkgever in een ingewikkelde positie

Want een leidinggevende is geen behandelaar en moet dat ook niet proberen te worden.

Een werkgever hoeft niet vast te stellen welk middel iemand gebruikt of dat sprake is van een verslaving. Sterker nog: voor werkgevers gelden duidelijke beperkingen rond het testen op alcohol en drugs. Voor de meeste beroepen is dat niet toegestaan.

Wat een werkgever wél ziet, is functioneren. Veranderingen in concentratie. Afspraken die vaker worden gemist. Terugkerend kort verzuim. Wisselende prestaties. Vermoeidheid. Conflicten. Of iemand die steeds harder lijkt te werken om hetzelfde niveau vast te houden. Geen van die signalen bewijst middelenproblematiek. Maar ze kunnen wel aanleiding zijn voor een gesprek over wat zichtbaar is.

Daar zit wat ons betreft een belangrijk verschil: vroegsignalering is niet vroeg diagnosticeren. Het is eerder durven bespreken dat er iets verandert, zonder vooraf te hoeven weten wat de verklaring is.

De volgende uitdaging ligt misschien niet bij de zichtbare verslaving

De ontwikkeling die de Volkskrant beschrijft, gaat daarom voor ons over meer dan drugsgebruik onder jonge, hoogopgeleide Nederlanders. Het laat zien dat onze maatschappelijke beelden veranderen. En organisaties zullen mee moeten veranderen.

De medewerker die ondersteuning nodig heeft, hoeft niet te voldoen aan het beeld dat we van verslaving hebben. Misschien functioneert iemand nog. Misschien noemt diegene het zelf nog recreatief. Misschien ziet de omgeving vooral iemand die hard werkt, sport en in het weekend graag uitgaat.

Dat maakt de grens niet minder belangrijk. Het maakt het gesprek erover belangrijker.

Bij Ruisch Coaching begeleiden we mensen en organisaties juist op dat snijvlak van verslavingsproblematiek, herstel en werk. Niet door ieder middelengebruik te problematiseren, maar door zorgvuldig te kijken naar wat er daadwerkelijk gebeurt met gedrag, functioneren, belastbaarheid en grip.

De vraag voor werkgevers is daarom misschien niet: hoe herkennen we iemand met een verslaving? 

Maar: hebben we een organisatie waarin iemand op tijd kan zeggen dat gebruik niet meer zo vrijblijvend voelt als het ooit begon?